Hoe natuurbranden in Europa vooral op wilde dieren een desastreuze invloed hebben
Het is al de hele zomer heet en droog in Europa en dat heeft op veel plekken geleid tot grote bosbranden. Eind juli waren er al meer natuurbranden geteld dan in het volledige jaar 2025, en dat was ook al uitzonderlijk warm en droog. De klimaatverandering zorgt ervoor dat het risico op dergelijke branden almaar groter wordt, want in een cocktail van lage luchtvochtigheid, hoge temperaturen, harde wind en droogte is er vaak maar een kleine genster nodig om het vuur aan te steken.
De afgelopen weken kon je in de kranten al heel vaak lezen over het menselijke leed dat met dergelijke branden gepaard gaat, maar wij zijn niet de enige die de desastreuze gevolgen moeten dragen. Ook op wilde dieren is de impact enorm.
Het effect van natuurbranden op wilde dieren hangt sterk af van diersoort en hun gedrag, maar ook van de snelheid en intensiteit van de brand. Logisch ook: traag bewegende diersoorten hebben een groter risico om verwond te worden door het vuur. Anderzijds: hoe sneller het vuur zich verspreidt en hoe intenser de vlammen zijn, hoe meer dieren verrast – en helaas vaak ook verast – zullen worden door het vuur. Zelfs dieren die ondergronds kunnen schuilen, zijn niet veilig voor de (lang aanhoudende) hoge temperaturen.
Net zoals bij mensen kan ook de rook die vrijkomt, voor extra slachtoffers zorgen. Deze heeft namelijk grote invloed op de ademhaling van de dieren en kan zo voor verzwakking en sterfte zorgen.
Net zoals bij mensen kan ook de rook die vrijkomt, voor extra slachtoffers zorgen. Deze heeft namelijk grote invloed op de ademhaling van de dieren en kan zo voor verzwakking en sterfte zorgen. Rook zorgt er tegelijkertijd voor dat dieren gedesoriënteerd raken en zo de natuurbrand moeilijker kunnen ontvluchten of dat jongen gescheiden geraken van hun ouders. Wanneer dieren door rook gedwongen worden om van hun normale migratieroutes af te wijken, raken ze de weg kwijt, moeten ze grotere afstanden afleggen en vinden ze vaak geen geschikte rust- of voederplaatsen. Ook zijn ze minder alert voor andere gevaren: ze raken sneller verstrikt in omheiningen, vliegen makkelijker tegen ramen of komen sneller onder een voorbijrijdende auto terecht.
Dieren die de natuurbrand in eerste instantie overleven, komen na de brand voor een nieuw probleem te staan. Doordat veel vegetatie in as is opgegaan, vinden ze geen geschikte nest-, schuil- en voederplaatsen meer. Veel dieren moeten daarom grote afstanden afleggen om elders een nieuwe thuis te vinden. Je kan je ongetwijfeld wel voorstellen dat een dergelijke gedwongen verhuis voor flink wat stress zorgt.
Speaking of which: net zoals bij mensen kan stress ervoor zorgen dat dieren alert reageren in noodsituaties, maar wanneer de stress te lang duurt, zorgt ze voor angst, onrust, desoriëntatie en verzwakking.
Herstel duurt lang

Alsof al het bovenstaande nog niet voor genoeg ontwrichting zorgt voor het dierenrijk, hebben natuurbranden ook een aantal bijkomende gevolgen waar we niet meteen bij stilstaan. Bij een natuurbrand komen grote hoeveelheden schadelijke stoffen vrij zoals fijnstof, roet, stikstofoxiden en metalen. Die stoffen komen in eerste instantie in de lucht terecht, maar kunnen later door neerslag ook de bodem en het water verontreinigen. Op die manier hebben ze ook in een later stadium nog een effect op de gezondheid van het ecosysteem en de wilde dieren.
Na een natuurbrand blijft er een kaal landschap en een kale bodem achter. Van het open landschap dat is ontstaan kunnen specifieke dier en plantsoorten profiteren. Denk maar aan spechten die zich nestelen in dode bomen. De kale bodem geeft de kans aan pionier plantsoorten (o.a. vuurdoorn, brandnetels, grassoorten, varens en dennen) om zich te vestigen, terwijl dit vaak niet lukt in een dichtbegroeid gebied. Deze vegetatie trekt weer specifieke insecten en andere diersoorten aan. Tegelijkertijd geeft het dorre gebied ook kansen aan invasieve plantensoorten. Die kunnen zich op de kale bodem vestigen en in concurrentie gaan met de inheemse soorten. Dat kan leiden tot een verlies aan biodiversiteit.
Het kan jaren duren voordat een gebied weer een volwaardig leef- en foerageergebied wordt voor de oorspronkelijke diersoorten.
Het kan overigens jaren duren voordat een gebied weer een volwaardig leef- en foerageergebied wordt voor de oorspronkelijke diersoorten. In een gefragmenteerd en grotendeels ongeschikt leefgebied, met weinig of geen schuil- en rustplekken, lopen dieren heel wat meer risico’s. Zo is bijvoorbeeld de kans op predatie groter.
Ook het populatieherstel van diersoorten kan jaren duren. Vooral diersoorten die maar één legsel of worp per jaar hebben, hebben het moeilijk. Als hun ene legsel wordt verstoord door een natuurbrand is het effect op de populatie vele malen groter dan bij soorten die na een natuurbrand nog verschillende legsels grootbrengen.
Wat kunnen we doen om natuurbranden en hun intensiteit te beperken?
In 90% van alle natuurbranden ligt de oorzaak van de brand bij menselijke activiteiten. Willen we het aantal branden verminderen, dan is de oplossing eenvoudig: meer aandacht besteden aan het voorkomen van ontsteking door menselijke activiteit. Dat betekent: strengere controles op kampvuren en barbecues, duidelijke regels rond rookverboden, het beperken van werkzaamheden die vonken veroorzaken (zoals maaiwerken of machines met hete motoren), en gerichte sensibilisering.
Ook goed om te weten: sommige plantsoorten zijn veel brandbaarder dan andere: naaldbomen, dennenstrooisel, pijpenstrootje en dichte struiken met veel etherische oliën vatten sneller vuur en houden het vuur ook langer vast. Door dergelijke soorten te beheren, bijvoorbeeld via gefaseerde begrazing, maaibeheer of het creëren van open zones, kunnen we de brandintensiteit sterk verminderen. Een landschap met minder brandbare biomassa en meer structuurvariatie werkt als een natuurlijke rem op de verspreiding van vuur.